NIEUWS

Kijktechniek bij het nemen van een bocht.



 Het nemen van een bocht is een prachtig fysisch experiment. Een bocht nemen is een gecontroleerde manier van vallen. Fysisch gezien gebeurt het nemen van een bocht in drie fasen. In de eerste fase rijden we gewoon recht uit maar schatten we de bocht in, m.a.w. we trachten te schatten hoe groot de straal is van de cirkel die we moeten volgen en we schatten in hoe snel we deze kunnen nemen. De fysica kan ons exact bereken dat er slecht één enkele optimale combinatie is voor de snelheid, de kromtestraal, en de hoek waaronder we zullen leunen om door deze bocht te gaan. Zelfs zonder de formules te kennen zal een fietser uit ondervinding een goede schatting kunnen maken van hetgeen hij in fase twee zal moeten doen. In fase twee moeten we tegensturen; indien we een bocht naar rechts nemen, moeten we eerst naar links sturen. Het is totaal onmogelijk een bocht te nemen zonder tegensturen. Soms doen we dit heel bewust b.v. om een tramrail te kruisen zullen we een korte ruk naar een kant geven om vervolgens naar de andere kant scherp over de rail te rijden. Dat dit tegensturen absoluut noodzakelijk is blijkt ook uit ons gedrag wanneer we al te dicht naast een stoeprand fietsen. Dan voelen we ons in gevaar omdat we alleen weg raken van deze stoep door eerst naar de stoep toe te sturen.
Dit tegensturen kan gebeuren hetzij door een ruk aan het stuur, hetzij door de schouders en eventueel een knie naar de binnenkant van de te nemen bocht te kantelen. Daardoor zal de fiets hellen naar de buitenkant en door de actie van de positieve naloop stuurt de fiets automatisch naar buiten. Waarvoor dient de tegensturing? De bedoeling is ons te doen vallen, door de fiets naar een kant te sturen terwijl ons lichaam rechtuit gaat. Op deze manier komen we in de derde fase namelijk deze waarin we onszelf in onevenwicht hebben gebracht en we gaan overhellen naar de binnenbocht. Dit ''liggen in de bocht'' is dus alleen mogelijk indien we eerst naar buiten hebben gestuurd.
Wanneer we in de tegenstuur-fase gehinderd worden, of indien we niet voldoende tegenstuur hebben veroorzaakt, dan snijden we de bocht verkeerd aan en kunnen we nog heel moeilijk corrigeren.
Heb je enige controle over de hoek waaronder je in de bocht ligt? Helemaal niet. Bij een bepaald traject, te nemen aan een bepaalde snelheid hoort slechts één mogelijke schuine ligging, die bovendien onafhankelijk is van de grootte of gewicht van de persoon. Hoe groter je snelheid, en hoe korter de bocht, hoe schuiner je zal liggen. Iedere afwijking van de ideale ligging leidt tot een catastrofe.
Is dit de hele waarheid en niets dan de waarheid?
Ja en neen. Het gyroscoopeffect van de draaiende wielen zal deze leunhoek een zeer klein beetje veranderen.
Hoe schuin kan je eigenlijk wel liggen?
De nodige middelpuntzoekende kracht kan maximaal gelijk worden aan je gewicht vermenigvuldigd met de statische wrijvingscoëfficiënt van het contact tussen de band en het wegdek, dus;
Deze wrijvingscoëfficiënt is ongeveer gelijk aan 1 voor een contact tussen rubber en asfalt, en in dit geval is de maximale hoek waaronder je door de bocht kan scheuren gelijk aan 45°.
Bij een schuinere ligging zal je grip of adhesie verliezen en onherroepelijk uitschuiven. Op nat wegdek is de wrijvingscoëfficiënt kleiner, en dus ook de snelheid en de hellingshoek waarmee we de bocht kunnen nemen. Op nat asfalt is de maximale hellingshoek ongeveer 35°.

Wat betekent "zich in de bocht werpen"?
De behendigheid waarmee de fietser de bocht in duikt wordt bepaald door de snelheid van de overgang tussen de tegenstuurfase en de ligfase. Door het tegensturen veroorzaken we een initiëel leunhoekje (θ0). De overgang van deze beginhoek naar de uiteindelijke leunhoek voor de bocht, zoals nodig is volgens de gegeven formule, wordt bepaald door de hoekversnelling
Met de beste wil van de wereld kan een grote renner niet even snel een scherpe bocht in duiken als een kleine renner! Merken we ook op dat dit helemaal niks te maken heeft met het gewicht van de renner.
Om dit verschil in leunhoekversnelling te illustreren kan je zelf een experimentje doen. Neem twee bezemstelen waarover je een zelfde gewicht schuift, bijvoorbeeld op een vierde van de lengte. Zet deze twee bezemstelen rechtop naast elkaar, één met het extra gewicht bovenaan, de andere met het gewicht onderaan. Zet ze lichtjes schuin en laat ze dan samen omvallen. In het eerste geval is de afstand van het gewicht groter dan in het tweede geval en niettegenstaande de twee bezemstelen de zelfde massa hebben, zal je zien dat deze met het gewicht bovenaan sneller neervalt dan deze met het gewicht onderaan. .Zelfs indien je verschillende gewichten gebruikt zal nog steeds deze met het gewicht bovenaan sneller omvallen.


Algemeen wordt ook aangenomen dat getrainde ligfietsers sneller kunnen dalen dan zitfietsers. Immers, hun zwaartepunt ligt bijzonder laag en bovendien hebben ze minder luchtweerstand. Ligfietsers zijn dus zeer wendbaar.